‘Gering aantal inzetten Ieidt tot weinig of geen ervaring’
OngevaIsbestrijding gevaarlijke stoffen moet op de schop
De bestrijding van ongevallen met gevaarlijke stoffen is een van de zwakke schakels in het systeem van de rampenbestrijding. Dat komt nu eens niet doordat deze specialistische brand weertaak ‘ondergeorganiseerd’ is, maar eerder op bepaalde onderdelen ‘overgeorganiseerd’.
De inspectie Openbare Orde en Veiligheid deed onderzoek naar de bestrijding van ongevallen met
gevaarlijke stoffen in twaalf regio’s, op basis van incidentgegevens over 2006. De belangrijkste aanbevelingen zijn dat de OGS-taak volledig onder regionale regie moet worden gebracht, dat meer interregionale samenwerkingsverbanden voor hoogwaardige specialistische functies moeten worden gesmeed en dat de registratie en evaluatie van incidenten met gevaarlijke stoffen dienen te worden verbeterd.
Ongevalsbestrijding gevaarlijke stoffen is sinds de invoering
van de Brandweerwet 1985 deels een wettelijke
~taak voor de regionale brandweren. Om de brandweer
regio’s houvast te geven bij het opbouwen van hun eigen OGS
organisatie, werd door experts uit het brandweerveld zelf een
handleiding opgesteld, die in 2001 werd vervangen door een
leidraad. Beide producten hebben geen wettelijk bindend karakter,
maar bevatten zogenaamde professionele normen. Normen
ten aanzien van organisatie, opleiding, training en uitvoeringsprocedures
die door deskundigen uit het brandweerveld zelf zijn
geformuleerd en door de regionale commandanten zijn vastgesteld.
Tot op heden is die situatie niet veranderd. Maar in een
brief aan de Tweede Kamer over het onderzoek van de Inspectie
OOV, schrijft minister Ter Horst dat zij de kwaliteitseisen voor de
ongevalsbestrijding gevaarlijke stoffen bij de invoering van de veiligheidsregio’s
wel volledig als wettelijk genormeerde taak aan de
veiligheidsregio’s wil opdragen.
Ervaringsverdunning
Als de minister de conclusies en aanbevelingen van de inspectie
volgt, zal die regionale OGS-organisatie wel een ander karakter
krijgen dan nu het geval is. Want de organisatie van de OGS-taak
is nu weinig efficiënt en de kwaliteit van de uitvoering bij ongevallen
met gevaarlijke stoffen is daardoor onvoldoende gewaarborgd.
Senior inspecteur Willem van Dijk van de Inspectie OOV schrijft dit
met name toe aan de overkill aan organisatie op dit gebied.
‘Het klinkt paradoxaal. Meestal trekken we aan de bel als we
constateren dat zaken ondergeorganiseerd zijn, maar hier is op
onderdelen juist het tegenovergestelde het geval. Wij constateren
namelijk dat de onderzochte regio’s vaak een behoorlijk forse
OGS-organisatie hebben opgebouwd volgens de leidraad OGS uit
2001. Die organisatie wordt gevormd door Adviseurs Gevaarlijke
Stoffen, meetplanleiders, meetploegen en gaspakteams. Specialismen
die veel inspanning vragen op het gebied van opleiding,
training en oefening. De andere kant van het verhaal is dat het
aantal inzetten waarbij onderdelen van de OGS-organisatie echt
nuttig worden ingezet, zeer beperkt is. Landelijk zijn bijvoorbeeld
grofweg 2000 brandweerfunctionarissen opgeleid tot gaspakdrager,
terwijl zij in de praktijk bijna nooit in actie komen. Dat betekent dat
zij in de praktijk weinig tot geen ervaring opdoen.’
De incidentgegevens over 2006 in de twaalf onderzochte regio’s
staven de woorden van Van Dijk. In totaal werden door de
regio’s gegevens van 536 incidenten met een ‘OGS-component’
aangeleverd. Het overgrote deel van die incidenten betreft de
inzet van een Adviseur Gevaarlijke Stoffen, soms aangevuld met
meetploegen, voor bijvoorbeeld het meten van rookgassen bij
grote branden of het onderzoeken van een vreemde geur. Slechts
in 77 gevallen was sprake van daadwerkelijke Iekkage van een
gevaarlijke stof uit een vat of een tank(wagen), maar daarbij
ging het vaak om zeer kleine hoeveelheden van een vrijkomende
gevaarlijke stof. In heel 2006 werden door de onderzochte regio’s
niet meer dan drie gaspakinzetten gerapporteerd. Het aantal
zwaardere OGS-incidenten waarbij de specialistische taak van een
gaspakteam en andere specialistische adviesfuncties echt tot zijn
recht komt, bedraagt zo’n 10 tot 20 keer per jaar.
Van Dijk: ‘De enige mogelijkheid voor dergelijke specialistische
OGS-functies cm ervaring op te doen en hun vaardigheden te
behouden, is dus oefenen en trainen, maar bij de meeste regios
is onbekend of dat 00k regelmatig gebeurt in de gemeenten
waaraan deze taken zijn uitbesteed. Met andere woorden, de
regio heeft geen zicht op dit kwaliteitsaspect. Om de kwaliteit
van deze specialistische brandweertaak beter te waarborgen, zou
naar onze mening de hele OGS-taak moeten worden herzien. De
organisatie per regie zou meer geconcentreerd, dus met minder
eenheden, kunnen worden georganiseerd en hooggespecialiseerde
functies als gaspakkenteams en Adviseurs Gevaarlijke Stoffen
zouden in de vorm van bovenregionale samenwerkingsverbanden
kunnen worden georganiseerd. Dan kun je veel gerichter investeren
in kennis en vaardigheden, waarbij de ervaring en dus de
kwaliteit van de uitvoering door de grotere inzetfrequentie toe
neemt. Tot dusver Is er slechts een regio die een interregionaal
samenwerkingsverband heeft voor het piket Adviseur Gevaarlijke
Stoffen. Amsterdam-Amstelland werkt hiervoor samen met de
omliggende regios Zaanstreek-Waterland, Kennemerland en Flevoland.’
Incidentregistraties
Een meer geconcentreerde en robuustere organisatie voor ongevalsbestrijding
gevaarlijke stoffen is volgens het rapport van de
Inspectie OOV de beste oplossing om de kwaliteit van deze specialistische
brandweertaak te borgen. Dat is ook gebeurd voor
de bestrijding van NBC-incidenten, waarvoor zes bovenregionale
steunpunten zijn gerealiseerd. Een ander advies is dat de Adviseurs
Gevaarlijke Stoffen deze operationele taak combineren met
specifieke proactie- en preventietaken op hun vakgebied, bijvoorbeeld
de preventie rond BRZO-bedrijven, maar ook voor andere
bedrijven met gevaarlijke stoffen. Zij krijgen dan een breder en
meer zinvol takenpakket dan uitsluitend de repressieve AGS-functie,
waarvoor zij slechts relatief weinig in actie hoeven te komen.
Bovendien is de opgedane informatie bij de preventie zeer relevant
voor het operationeel functioneren.
Gegeven het relatief kleine aantal daadwerkelijk complexe OGS
incidenten, hoeft niet iedere regio over zo’n hoger opgeleide
Adviseur Gevaarlijke Stoffen te beschikken. Volstaan zou kunnen
worden met een minder gespecialiseerde Regionaal Officier
Gevaarlijke Stoffen (ROGS) per regio, waarbij de AGS-functie
bovenregionaal wordt ingevuld. Bovendien zijn er in de tweede
lijn diverse landelijke expertiseteams en kennisinstituten die bij
incidenten met gevaarlijke stoffen ook een ondersteunende en
adviserende rol kunnen vervullen, zowel op afstand als op locatie.
in dit verband worden onder andere het Landelijk informatiepunt
Ongevallen Gevaarlijke Stoffen (LIOGS) genoemd en het Beleidsondersteunend
Team Milieu incidenten (BOT-mi).
Last but not least beveelt de inspectie aan dat ook de registratie
en evaluatie van incidenten met gevaarlijke stoffen worden
verbeterd. Bij het onderzoek van de inspectie in 2006 bleek dat
het voor de meeste regio’s een enorme klus was om incident
gegevens op te hoesten. Van Dijk: ‘Dit is een teken dat het met
gestructureerde incidentregistratie en -evaluatie nog matig is
gesteld. Brandweer Nederland gebruikt nog geen goede uniforme
systematiek om te leren van incidenten. Dat geldt niet alleen voor
OGS-incidenten maar voor incidentevaluaties in het algemeen.’



